De eerste keer dat ik door de gang liep, vlogen de jongens tegen de ramen. Ik was er net, liep met een collega door een gesloten setting, en aan weerszijden bonkten en schreeuwden jongeren tegen het glas. En ik merkte dat het iets met me deed. De agressie, het vertoon, de apen op de rots. Ik moest even slikken. Precies daar, bij die eerste eigen reactie, begon voor mij de opdracht.
De eerste indruk is niet het hele verhaal
Het is eerlijk om toe te geven dat zo’n binnenkomst je uit balans brengt. Je voelt de neiging je te wapenen, afstand te houden, het gedrag te lezen als wie deze jongeren zijn. Maar het vertoon bij de ramen was geen portret, het was een taal. Een manier om te laten zien: ik ben er ook nog, zie mij, ik laat me niet zomaar wegzetten. Wie daar alleen agressie ziet, mist wat eronder zit.
Het eerste gesprek
Een van mijn eerste daden was daarom niet een plan of een regelwijziging, maar gaan zitten met die groep. Na het gebruikelijke wie ben je en wat kom je hier doen, ging het gesprek al snel ergens anders over: over wat ze misten, over wat ze eigenlijk graag zouden willen. Achter de bravoure zaten jongens met wensen, met ideeën over wat hen zou helpen. Dat was de opening. Niet ik die iets kwam brengen, maar zij die lieten zien waar het onderwijs op kon aansluiten.
Wie houdt zich staande?
Ik trof er een team van bevlogen docenten, mensen met hart voor juist deze jongeren. En tegelijk een hoog verloop. Werken in zo’n omgeving vraagt enorm veel: van je geduld, je incasseringsvermogen, je vermogen om gedrag niet persoonlijk te nemen. De vraag die zich opdringt is: wie houdt zich hier staande, en waaraan? Niet aan wilskracht alleen. Aan een team dat je opvangt, aan kleine successen die je samen viert, en aan het besef dat het gedrag van vandaag niet het eindoordeel over een jongere is. Een systeem dat de jongeren wil helpen, moet ook zijn docenten dragen.
Het systeem om de student heen
De grootste les nam ik mee uit de manier waarop we naar passendheid keken. We zijn in het onderwijs geneigd om de jongere in het systeem te krijgen: in het rooster, in de regels, in het standaardprogramma. Bij deze doelgroep levert dat vooral botsing op. De omslag zit in het omdraaien van de vraag. Niet: waarom past deze jongere zich niet aan? Maar: wat werkt voor deze jongere, en hoe richten we het onderwijs daarnaar in? Expressie en vakmanschap als ingang, een ritme en een veiligheid die bij hen passen, een leerlijn die aansluit op hun leefwereld in plaats van er dwars op te staan.
We bleven proberen de jongere in het systeem te krijgen, terwijl we het systeem om de jongere heen hadden moeten bouwen.
Dat klinkt groot, maar het begint klein: bij dat ene gesprek, bij de vraag wat iemand mist, bij de bereidheid om een kader op te rekken als het onderwijs daar beter van wordt. Het is dezelfde beweging die ik ook op heel andere plekken tegenkwam. Elders schreef ik over een student die door oplopende schulden dreigde te stoppen; ook daar zat de oplossing niet in strenger handhaven, maar in het wegnemen van de belemmering die hem van zijn opleiding hield.
De les
Een gesloten setting maakt in het extreme zichtbaar wat overal speelt. Overal is de verleiding groot om de student passend te maken voor het systeem, terwijl de winst zit in de omgekeerde richting. Begin bij de vraag wat werkt voor deze jongere, en laat het systeem meebewegen. Dat vraagt lef, want het betekent soms buiten de gebaande paden gaan. Maar voor de jongeren die het meeste op het spel hebben staan, is het vaak het enige wat echt werkt.